Daarom ging de overheid zich ermee bemoeien. Zij zorgde ervoor dat er platte
muntjes van het zilver en goud geslagen werden, met een stempel erop. Op deze
stempel stond onder andere het gewicht van de munt. Daaraan zou iedereen
kunnen zien dat het om echt geld ging. Omdat munten gemaakt werden van
edelmetaal hadden ze een bepaalde waarde in goud of zilver. We noemen dat
intrinsieke waarde: de waarde van het materiaal waarvan het gemaakt is, het is
een muntje, maar het is ook nog steeds een stukje goud of zilver.
Omdat goud en zilver te zeldzaam zijn, begon men al vroeg muntjes te maken
van andere metalen zoals brons. In 1967 werd in Nederland de laatste zilveren
munt geslagen. Sinds die tijd wordt ons muntgeld gemaakt van een mengeling
van ‘gewone’ metalen, zoals koper, nikkel en messing dat ook duurzaam is. Het
metaal zelf heeft geen of weinig waarde meer, in elk geval is het metaal zelf
minder waard dan wat erop staat. De munt heeft nu een nominale waarde: dat
is het bedrag dat erop staat zoals € 1,00.
In veel andere landen en culturen bleef men nog eeuwenlang met oorspronkelijk
geld betalen. Een veelgebruikt betaalmiddel in Azië en Afrika waren
kaurischelpjes: kleine glanzende stevige schelpjes die gevonden werden op
de Malediven. De inwoners van Ghana bijvoorbeeld accepteerden geen goud
van de Nederlanders, maar verkochten hun slaven aan ons voor kaurischelpen.
Effe checken
Ik kan uitleggen hoe mensen aan spullen kwamen vóór er geld was.
Ik kan uitleggen waarom er geld nodig was.
Ik kan vertellen wat eerst als ruilmiddelen werd gebruikt.
Ik weet waar het eerste geld van gemaakt werd.
Ik kan uitleggen waarom edelmetalen zoals goud heel geschikt zijn om geld
van te maken.
Ik kan vertellen waar geld nu van gemaakt wordt.




