Effe checken
Ik kan vier grondsoorten noemen die in Nederland voorkomen.
Ik kan uitleggen wat het verschil is tussen zand, klei, löss en veen.
Ik kan in een atlas de grondsoort in een bepaald gebied opzoeken.
Ik kan zelf een kaart maken met landschappen in Nederland.
Ik kan vertellen in welke delen van Nederland we zand, klei, löss en veen vinden.
Zeeklei vinden we in het zuidwesten van
Nederland, in het gebied van het IJsselmeer
(de vroegere Zuiderzee), en in het noorden
van ons land. Zeeklei is afkomstig uit de
zee. In het water zweven ontelbare zand- en
slibdeeltjes, die van de zeebodem worden
meegevoerd. Die zakken naar de bodem
omdat ze zwaarder zijn dan het water. Op
die manier ontstaat er nieuw land, gemaakt
van zeeklei. In het midden van Nederland
liggen veel rivieren. Daar bestaat de grond
uit rivierklei. We noemen dit gebied dan ook
het rivierkleigebied. De rivieren verplaatsen
grind, zand en slib. De zwaarste deeltjes
die werden meegevoerd (zand) zinken het
eerst. De lichte deeltjes klei, werden verder
meegevoerd en zinken pas later naar de bo-
dem. Zo wordt een laag rivierklei gevormd.
Het rivierkleilandschap bestaat uit hoge en
lage delen. De hoge delen zijn de oeverwal-
len. Deze oeverwallen zijn geschikt voor
akkerbouw en fruitteelt. In de lager gelegen
kommen is de grond veel natter en vooral
geschikt als weiland voor het vee.
Veen
Veen is een natte, zuurstofarme en spons-
achtige grondsoort, die is opgebouwd uit
dood plantaardig materiaal. In gedroogde
vorm staat het bekend als turf. Veengrond is
dus een drassige grond. Als je die wilt ge-
bruiken voor de landbouw moet het grond-
waterpeil verlaagd worden. In het westen
van Nederland (Noord- en Zuid-Holland en
West-Utrecht) vind je de meeste laagveen-
gebieden van ons land. We noemen het
laagveen omdat deze grondsoort eigenlijk in
het water ligt. Als je laagveen afgraaft, ont-
staat er een waterplas. Door het graven van
sloten werd de bovenste veenlaag droger en
kon gebruikt worden als akkerland. Doordat
het veen droger werd, begon het in te zak-
ken. Dit heet inklinking. Doordat het land
zoveel lager was komen te liggen, moesten
de mensen het met dijken beschermen te-
gen overstromingen. Laag land is vaak nat,
waardoor het laagveen niet meer geschikt is
voor akkerbouw, maar wel voor veeteelt.
Op kleine plekken in Noord-Brabant en in
het noorden van ons land (Drenthe, Gronin-
gen, Friesland) is de grondsoort hoogveen
te vinden. We noemen het hoogveen omdat
het hoger ligt dan het water in de grond. In
hoogveengebieden vind je veel heide en
schaapskudden. Het zijn natuurgebieden
met veel plassen, dieren en stilte. Het hoog-
veen is voor een groot deel afgegraven,
maar op een paar plekken kunnen we het
nog zien. Hoogveen is heel lang geleden ge-
vormd, door afzetting van dode plantenres-
ten in het moeras. Die resten vormen op den
duur een nieuwe laag grond, waarop weer
planten kunnen groeien. De laag planten-
resten werd steeds hoger en hoger. En op
een gegeven moment kwam de laag boven
het waterpeil uit en was er weer een nieuwe
bodem ontstaan. Ook hier gingen weer plan-
ten en bomen op groeien. En dat zijn nu de
hoogveengebieden.




