Background Image
Table of Contents Table of Contents
Previous Page  35 / 210 Next Page
Information
Show Menu
Previous Page 35 / 210 Next Page
Page Background

Effe checken

Ik kan vier grondsoorten noemen die in Nederland voorkomen.

Ik kan uitleggen wat het verschil is tussen zand, klei, löss en veen.

Ik kan in een atlas de grondsoort in een bepaald gebied opzoeken.

Ik kan zelf een kaart maken met landschappen in Nederland.

Ik kan vertellen in welke delen van Nederland we zand, klei, löss en veen vinden.

Zeeklei vinden we in het zuidwesten van

Nederland, in het gebied van het IJsselmeer

(de vroegere Zuiderzee), en in het noorden

van ons land. Zeeklei is afkomstig uit de

zee. In het water zweven ontelbare zand- en

slibdeeltjes, die van de zeebodem worden

meegevoerd. Die zakken naar de bodem

omdat ze zwaarder zijn dan het water. Op

die manier ontstaat er nieuw land, gemaakt

van zeeklei. In het midden van Nederland

liggen veel rivieren. Daar bestaat de grond

uit rivierklei. We noemen dit gebied dan ook

het rivierkleigebied. De rivieren verplaatsen

grind, zand en slib. De zwaarste deeltjes

die werden meegevoerd (zand) zinken het

eerst. De lichte deeltjes klei, werden verder

meegevoerd en zinken pas later naar de bo-

dem. Zo wordt een laag rivierklei gevormd.

Het rivierkleilandschap bestaat uit hoge en

lage delen. De hoge delen zijn de oeverwal-

len. Deze oeverwallen zijn geschikt voor

akkerbouw en fruitteelt. In de lager gelegen

kommen is de grond veel natter en vooral

geschikt als weiland voor het vee.

Veen

Veen is een natte, zuurstofarme en spons-

achtige grondsoort, die is opgebouwd uit

dood plantaardig materiaal. In gedroogde

vorm staat het bekend als turf. Veengrond is

dus een drassige grond. Als je die wilt ge-

bruiken voor de landbouw moet het grond-

waterpeil verlaagd worden. In het westen

van Nederland (Noord- en Zuid-Holland en

West-Utrecht) vind je de meeste laagveen-

gebieden van ons land. We noemen het

laagveen omdat deze grondsoort eigenlijk in

het water ligt. Als je laagveen afgraaft, ont-

staat er een waterplas. Door het graven van

sloten werd de bovenste veenlaag droger en

kon gebruikt worden als akkerland. Doordat

het veen droger werd, begon het in te zak-

ken. Dit heet inklinking. Doordat het land

zoveel lager was komen te liggen, moesten

de mensen het met dijken beschermen te-

gen overstromingen. Laag land is vaak nat,

waardoor het laagveen niet meer geschikt is

voor akkerbouw, maar wel voor veeteelt.

Op kleine plekken in Noord-Brabant en in

het noorden van ons land (Drenthe, Gronin-

gen, Friesland) is de grondsoort hoogveen

te vinden. We noemen het hoogveen omdat

het hoger ligt dan het water in de grond. In

hoogveengebieden vind je veel heide en

schaapskudden. Het zijn natuurgebieden

met veel plassen, dieren en stilte. Het hoog-

veen is voor een groot deel afgegraven,

maar op een paar plekken kunnen we het

nog zien. Hoogveen is heel lang geleden ge-

vormd, door afzetting van dode plantenres-

ten in het moeras. Die resten vormen op den

duur een nieuwe laag grond, waarop weer

planten kunnen groeien. De laag planten-

resten werd steeds hoger en hoger. En op

een gegeven moment kwam de laag boven

het waterpeil uit en was er weer een nieuwe

bodem ontstaan. Ook hier gingen weer plan-

ten en bomen op groeien. En dat zijn nu de

hoogveengebieden.