Kennisaspecten
De leerling weet welke insecten er in en rond een sloot leven.
Wat is een sloot?
Nederland is een waterland. Er zijn heel wat rivieren en kanalen. En vooral veel
sloten. Ze zijn door mensen gegraven voor de afwatering van land. Een sloot dient
dus om water af te voeren. Als er geen sloten waren, zou het land te nat worden.
Langs grote wegen liggen vaak smalle sloten. Ze worden ook wel greppels ge-
noemd. Greppels vind je ook tussen weilanden of tussen akkers. Vaak staan die
sloten droog, dan zit er geen water in. Zo’n greppel dient vooral om het regenwater
op te vangen. Als het flink geregend heeft, loopt het water erin. Vandaar stroomt het
naar bredere sloten of kanalen.
Leven rond de sloot
In en rondom de sloot wonen allerlei dieren. Kikkers en padden leven in het water
en ook op de kant. Reigers staan soms langs de sloot om kikkers te vangen. Ook
salamanders kun je er soms vinden. In het water zwemmen stekelbaarsjes. En als
de sloot niet te klein is ook andere vissen, zoals baarzen, snoeken en karpers. Ver-
der wemelt het er van de insecten, zoals muggen, kevers, torren en libellen. Soms
als volwassen dier, vaak ook als larve.
Veelvoorkomende insecten zijn waterwantsen en kevers. De larven van muggen
leven vlak onder het wateroppervlak. Als ze volgroeid zijn, verpoppen ze zich. De
pop hangt dan onder het wateroppervlak.
Na een tijdje kruipt de mug uit de pop boven op het wateroppervlak en vliegt weg.
Een diertje dat je veel ziet, is de watermijt. Vooral de rode watermijten vallen op. Het
zijn eigenlijk een soort spinnetjes. Ze leven vooral van afval.
Libellen vallen meteen op. Ze vliegen laag boven het water, op zoek naar prooi.
Waterjuffers zijn wat kleiner. Op het wateroppervlak zie je vaak schaatsenrijders
lopen. Het wateroppervlak is stevig genoeg voor deze kleine insecten. Schrijvertjes
hangen half in het water. Hun ogen staan zó, dat de ene helft boven water is en de
andere helft in het water kijkt. Bij gevaar duiken schrijvertjes diep onder water.
2
De wereld in het klein • Groep 5/6 • Kaart 3 • De boerensloot




