Gemengde bedrijven
De eerste boeren hielden vee en verbouwden ge-
wassen. Dit is eigenlijk heel lang zo gebleven: tot on-
geveer 75 jaar geleden waren de meeste boerderijen
gemengde bedrijven. Dat wil zeggen dat de boer aan
landbouw én aan veeteelt deed. De producten van
de landbouw gebruikte hij als eten voor zijn gezin en
zijn dieren.
Wat overbleef, werd verkocht of verder bewerkt. Zo
werd op de boerderij van melk kaas, slagroom, boter
en karnemelk gemaakt. De wol van de schapen werd
gesponnen. Van het garen breide de boerin truien,
sokken en dassen. Van het graan werd brood ge-
maakt en van het fruit jam.
Boerenwerk vroeger en nu
Duizenden jaren is er weinig veranderd aan het
boerenwerk. Maar door de uitvindingen van de laat-
ste tweehonderd jaar is er wel veel veranderd. De
uitvinding van allerlei machines heeft het leven van
een boer behoorlijk veranderd. Klussen die de boer
vroeger zelf moest doen, worden nu door machines
gedaan. Vroeger moest de boer dit allemaal met de
hand doen. Daardoor gaat het werk nu veel sneller en
is het lichamelijk veel minder zwaar.
Zo werden de koeien met de hand gemolken, ’s zo-
mers ging de boer of boerin naar het weiland met de
koeien. Zij werden dan opgehaald en aan een wagen
vastgebonden om daarna gemolken te worden. De
melk werd opgevangen in een emmer en werd daarna
in bussen gedaan. Nu zijn er melkmachines die hel-
pen bij het melken, de melkrobot is zelfs een volledig
automatische machine die koeien melkt.
De grond werd omgeploegd met hulp van paarden of
andere trekdieren. Het trekpaard is nu vervangen door
de tractor.
Zaaien, oogsten, mesten en besproeien gebeurt nu
met grote landbouwmachines. Dankzij kunstmest en
bestrijdingsmiddelen is het gemakkelijker om veel ge-
wassen te telen.
De laatste dertig à veertig jaar zijn veebedrijven sterk
gegroeid. Een boer kan vaak niet meer land kopen als
hij meer vee wil gaan houden. De boeren gaan daar-
om méér dieren verzorgen op een kleiner stuk grond.
Ook gaan ze zich specialiseren. Dat betekent dat ze
nog maar één diersoort houden. De boer die vroeger
varkens, koeien en kippen en een paar akkers had,
wordt nu varkenshouder, melkveehouder of pluimvee-
houder. Door zich te richten op één diersoort kunnen
veebedrijven sneller en goedkoper werken. Gemeng-
de bedrijven kom je dus niet veel meer tegen.
De boeren hebben het tegenwoordig niet gemakkelijk.
De boer krijgt weinig geld voor zijn producten en de
kosten die hij moet maken zijn heel hoog. Veel boeren
stoppen er daarom mee, of ze gaan naast hun be-
drijf iets anders beginnen. Ook emigreren veel boeren
naar een ander land. De boeren die doorgaan, pro-
beren met andere dieren hun geld te verdienen. Ze
beginnen een paardenstalling, een paardenmanege,
een vis- of palingkwekerij of een struisvogelhouderij.
Ze beheren voor een natuurorganisatie een natuur-
gebied of landgoed, ze laten mensen op hun erf kam-
peren, ze verkopen streekproducten of werken part-
time op een fabriek of kantoor. Ook zijn er boeren die
biologisch gaan werken (diervriendelijker, met natuur-
lijke bestrijdingsmiddelen en bemesting), omdat hier
tegenwoordig veel vraag naar is.
Effe checken
Ik kan vertellen hoe de eerste boeren leefden.
Ik kan uitleggen waarom veel Middeleeuwse boeren een zwaar leven hadden.
Ik kan uitleggen wat horige boeren zijn.
Ik kan enkele verschillen noemen tussen het werk van een boer nu en vroeger.




