De melkveehouderij
En melkveehouder heeft dus een groot stuk grasland
rondom zijn boerderij. Hier lopen de koeien van het
voorjaar (maart) tot het begin van de winter (novem-
ber) vrij rond. In november gaan de koeien op stal.
Dit is niet zo zeer vanwege de kou, maar vooral om-
dat het gras niet meer groeit en de koeien bovendien
het weiland kapot zouden trappen.
’s Winters hebben de koeien in de meeste melkvee-
houderijen een ligboxenstal als onderdak. Daarin
kunnen ze vrij rondlopen. Voor elke koe is er een
ligbox met op de bodem meestal een koematras
van rubber of zelfs een waterbed. Daar kunnen de
koeien liggen om te slapen of te herkauwen. Eten
kunnen ze wanneer ze trek hebben. Daarvoor moe-
ten ze hun kop door het voederhek steken. De boer
zorgt voor een voorraad gras. Dit is geen vers gras,
maar gedroogd gras (kuilgras). In het voorjaar maait
de boer een deel van het gras en laat dat drogen
op het land. Het gedroogde gras wordt op een grote
hoop gegooid, zodat het kan inkuilen. Dat wil zeggen
dat over het gras wordt gereden om de lucht eruit te
krijgen. Daarna wordt dit gras bedekt met plastic en
zand, zodat de smaak en de voedingsstoffen van het
gras behouden blijven. Deze grashopen zie je dan
ook vaak in weilanden liggen.
De koeien worden gemolken in een aparte ruimte die
aan de stal grenst, de melkstal. Voor het melken ge-
bruikt de boer een melkmachine waarop een groepje
koeien tegelijkertijd kan worden aangesloten. Op hy-
permoderne bedrijven worden de koeien door een
melkrobot gemolken, die zelf het melkapparaat aan
de uier vastmaakt. De melk gaat rechtstreeks van
de uier naar de koeltank. Deze koeltank wordt re-
gelmatig door een vrachtwagen van een melkfabriek
geleegd.
De belangrijkste taken van een melkveehouder zijn:
• het verzorgen van de dieren;
• het melken van de koeien;
• het zorgen voor voer voor de koeien;
• het schoonhouden van de stal;
• het onderhouden van het weiland
(maaien, bemesten, natuurbeheer);
• verwerken van de mest.
Effe checken
Ik kan uitleggen wat veeteelt is en wat een melkveehouder is.
Ik weet welke grondsoort er nodig is voor veeteelt.
Ik kan op een kaart aangeven in welke delen van Nederland er veeteelt is.
Ik weet hoe een melkveehouderij eruit ziet.
Ik kan enkele taken van een melkveehouder noemen.




