Background Image
Table of Contents Table of Contents
Previous Page  168 / 210 Next Page
Information
Show Menu
Previous Page 168 / 210 Next Page
Page Background

Groep 5-6 • Thema 4 • Samenvatting • pagina 4

Kaart 14

Boeren vroeger en nu

Vroeger waren alle boerderijen gemengde bedrijven.

Dat wil zeggen dat de boer aan landbouw én aan vee-

teelt doet. Maar de boeren zijn zich gaan specialise-

ren. Dat betekent dat ze alleen maar aan akkerbouw of

veeteelt doen en maar één diersoort houden. De uitvin-

ding van allerlei machines heeft het leven van een boer

behoorlijk veranderd. Klussen die de boer vroeger zelf

moest doen, worden nu door machines gedaan. Vroe-

ger moest de boer dit allemaal met de hand doen.

Kaart 15

Granen

Graan is een grote grassoort. Van de zaden kunnen

we voedsel maken. In Nederland groeien de volgende

graansoorten: tarwe, haver, gerst en rogge.

Aan de stengel van een graanplant groeit een bloem,

die de aar wordt genoemd. In de aar groeien de korrels

of zaden. Om de graankorrel zit een vliesje. Dat vliesje

wordt het kaf genoemd.

Tarwekorrels worden vooral gebruikt voor het maken

van brood, biscuit en pasta. Haver wordt gebruikt voor

havermout en paardenvoer. Rogge wordt gebruikt voor

roggebrood en ontbijtkoek. Van gerst wordt bier ge-

maakt.

Kaart 14

Boeren in de

Middeleeuwen

In de Middeleeuwen veranderde er weinig op de boer-

derijen. Het leven was hard en zwaar. De meeste boe-

ren hadden de pech dat ze niet vrij waren. Er waren wel

vrije boeren met een eigen boerderij en met eigen land,

maar de meeste boeren waren horig. Dat betekent dat

ze hun boerderij en grond hadden geleend (gepacht)

van een landheer. De boeren moesten een deel van

hun oogst en hun vee afstaan aan de landheer. De

landheer beschermde hen dan tegen rovers en solda-

ten. Eigenlijk waren deze horige boeren niet veel meer

dan slaven van de landheer.