Het weer en de seizoenen
In de lente worden de dagen
steeds langer en de temperatu-
ren stijgen. Opnieuw is het leven
buiten aangenaam. Het weer is in
het begin van de lente onbesten-
dig. De temperatuur wordt steeds
milder, maar soms daalt die nog
onder het vriespunt. Af en toe
schijnt er een waterig zonnetje,
dan valt er een maartse bui. Door
regens en het smelten van de
sneeuw treden beken en rivieren
soms buiten hun oevers.
In de zomer is het veel warmer
dan in de rest van het jaar.
Dat komt omdat de zon langer en
feller schijnt. In de zomer kan het
flink onweren.
In de herfst worden de dagen
weer korter en neemt de tempe-
ratuur af. Er valt veel neerslag
en het kan stevig waaien. In de
herfst kan het mistig zijn buiten.
In de winter daalt de temperatuur
tot rond of onder het vriespunt.
Er valt vaak veel neerslag, als
het koud genoeg is in de vorm
van sneeuw of hagel. Als het
vriest, bestaat er kans op ijzel op
de grond.
Neerslag
De zon verwarmt het water uit
zeeën en rivieren, dat voor een
klein deel verandert in water-
damp. De waterdamp stijgt op.
In de hogere luchtlagen is de
temperatuur lager, dus wanneer
de waterdamp daar terecht komt
condenseert de waterdamp tot
kleine waterdruppeltjes. Zo vor-
men zich wolken. De kleine drup-
peltjes groeien samen tot grote
druppels en als deze te zwaar
worden, vallen ze naar beneden:
regen.
Als de temperatuur van de lucht
heel laag is bevriezen de drup-
pels en vormen ze sneeuwvlok-
ken. In sommige omstandighe-
den vriezen die sneeuwvlokken
onderweg naar beneden aan,
waardoor ze een jasje van ijs krij-
gen. Dit zijn hagelstenen.
Kennisaspecten
De leerling weet welke weersomstandigheden bij de vier seizoenen horen.
De leerling kan de belangrijkste weersverschijnselen (neerslag, onweer, ijzel, mist) verklaren.
6
Van A tot Z • Groep 5/6 • Kaart 11 • De S is van Seizoenen




