Background Image
Table of Contents Table of Contents
Previous Page  189 / 210 Next Page
Information
Show Menu
Previous Page 189 / 210 Next Page
Page Background

Effe checken

Ik kan de belangrijkste grondsoorten in Nederland noemen.

Ik ken de verschillen tussen de grondsoorten zand, löss, klei en veen.

Ik weet of deze grondsoorten geschikt zijn voor akkerbouw, veeteelt of fruitteelt.

Ik weet in welke delen van Nederland we zand, löss, klei en veen kunnen vinden.

Kleilandschappen

Je vindt klei langs de grote rivieren en in de kust-

gebieden. Klei is veel fijner dan zand. Zo fijn zelfs

dat je de korrels niet meer met het blote oog kunt

zien. Het houdt water goed vast. Daardoor is het

lastig om gewassen te verbouwen op kleigrond.

Alleen gras groeit er goed. Daarom vind je in klei-

landschappen veel veeteelt. Klei is daarnaast een

goede delfstof om bakstenen van te maken.

Zeeklei vinden we in het zuidwesten van Neder-

land, in het gebied van het IJsselmeer (de vroe-

gere Zuiderzee), en in het noorden van ons land.

Zeeklei is afkomstig uit de zee. In het water zwe-

ven ontelbare zand- en slibdeeltjes, die van de

zeebodem worden meegevoerd. Die zakken naar

de bodem omdat ze zwaarder zijn dan het water.

Op die manier ontstaat er nieuw land, gemaakt

van zeeklei.

In het midden van Nederland liggen veel rivieren.

Daar bestaat de grond uit rivierklei. We noemen

dit gebied dan ook het rivierkleigebied. De rivie-

ren verplaatsen grind, zand en slib. De zwaarste

deeltjes die werden meegevoerd (zand) zinken

het eerst. De lichte deeltjes klei, werden verder

meegevoerd en zinken pas later naar de bodem.

Zo wordt een laag rivierklei gevormd. Het rivier-

kleilandschap bestaat uit hoge en lage delen. De

hoge delen zijn de oeverwallen. Deze oeverwal-

len zijn geschikt voor akkerbouw en fruitteelt. In

de lager gelegen kommen is de grond veel natter

en vooral geschikt als weiland voor het vee.

Veenlandschappen

Veen is een natte, zuurstofarme en sponsachti-

ge grondsoort, die is opgebouwd uit dood plant-

aardig materiaal. In gedroogde vorm staat het

bekend als turf.

In het westen van Nederland (Noord- en Zuid-

Holland en West-Utrecht) vind je de meeste

laagveengebieden van ons land. We noemen

het laagveen omdat deze grondsoort eigenlijk in

het water ligt. Als je laagveen afgraaft, ontstaat

er een waterplas. Door het graven van sloten

werd de bovenste veenlaag droger en kon ge-

bruikt worden als akkerland. Doordat het veen

droger werd, begon het in te zakken. Dit heet

inklinking. Doordat het land zoveel lager was

komen te liggen, moesten de mensen het met

dijken beschermen tegen overstromingen. Laag

land is vaak nat, waardoor het laagveen niet

meer geschikt is voor akkerbouw, maar wel voor

veeteelt.

Op kleine plekken in Noord-Brabant en in het

noorden van ons land (Drenthe, Groningen,

Friesland) is de grondsoort hoogveen te vinden.

We noemen het hoogveen omdat het hoger ligt

dan het water in de grond. In hoogveengebie-

den vind je veel heide en schaapskudden. Het

zijn natuurgebieden met veel plassen, dieren en

stilte. Het hoogveen is voor een groot deel afge-

graven, maar op een paar plekken kunnen we

het nog zien. Hoogveen is heel lang geleden ge-

vormd, door afzetting van dode plantenresten in

het moeras. Die resten vormen op den duur een

nieuwe laag grond, waarop weer planten kunnen

groeien. De laag plantenresten werd steeds ho-

ger en hoger. En op een gegeven moment kwam

de laag boven het waterpeil uit en was er weer

een nieuwe bodem ontstaan. Ook hier gingen

weer planten en bomen op groeien. En dat zijn

nu de hoogveengebieden.