Effe checken
Ik kan de belangrijkste grondsoorten in Nederland noemen.
Ik ken de verschillen tussen de grondsoorten zand, löss, klei en veen.
Ik weet of deze grondsoorten geschikt zijn voor akkerbouw, veeteelt of fruitteelt.
Ik weet in welke delen van Nederland we zand, löss, klei en veen kunnen vinden.
Kleilandschappen
Je vindt klei langs de grote rivieren en in de kust-
gebieden. Klei is veel fijner dan zand. Zo fijn zelfs
dat je de korrels niet meer met het blote oog kunt
zien. Het houdt water goed vast. Daardoor is het
lastig om gewassen te verbouwen op kleigrond.
Alleen gras groeit er goed. Daarom vind je in klei-
landschappen veel veeteelt. Klei is daarnaast een
goede delfstof om bakstenen van te maken.
Zeeklei vinden we in het zuidwesten van Neder-
land, in het gebied van het IJsselmeer (de vroe-
gere Zuiderzee), en in het noorden van ons land.
Zeeklei is afkomstig uit de zee. In het water zwe-
ven ontelbare zand- en slibdeeltjes, die van de
zeebodem worden meegevoerd. Die zakken naar
de bodem omdat ze zwaarder zijn dan het water.
Op die manier ontstaat er nieuw land, gemaakt
van zeeklei.
In het midden van Nederland liggen veel rivieren.
Daar bestaat de grond uit rivierklei. We noemen
dit gebied dan ook het rivierkleigebied. De rivie-
ren verplaatsen grind, zand en slib. De zwaarste
deeltjes die werden meegevoerd (zand) zinken
het eerst. De lichte deeltjes klei, werden verder
meegevoerd en zinken pas later naar de bodem.
Zo wordt een laag rivierklei gevormd. Het rivier-
kleilandschap bestaat uit hoge en lage delen. De
hoge delen zijn de oeverwallen. Deze oeverwal-
len zijn geschikt voor akkerbouw en fruitteelt. In
de lager gelegen kommen is de grond veel natter
en vooral geschikt als weiland voor het vee.
Veenlandschappen
Veen is een natte, zuurstofarme en sponsachti-
ge grondsoort, die is opgebouwd uit dood plant-
aardig materiaal. In gedroogde vorm staat het
bekend als turf.
In het westen van Nederland (Noord- en Zuid-
Holland en West-Utrecht) vind je de meeste
laagveengebieden van ons land. We noemen
het laagveen omdat deze grondsoort eigenlijk in
het water ligt. Als je laagveen afgraaft, ontstaat
er een waterplas. Door het graven van sloten
werd de bovenste veenlaag droger en kon ge-
bruikt worden als akkerland. Doordat het veen
droger werd, begon het in te zakken. Dit heet
inklinking. Doordat het land zoveel lager was
komen te liggen, moesten de mensen het met
dijken beschermen tegen overstromingen. Laag
land is vaak nat, waardoor het laagveen niet
meer geschikt is voor akkerbouw, maar wel voor
veeteelt.
Op kleine plekken in Noord-Brabant en in het
noorden van ons land (Drenthe, Groningen,
Friesland) is de grondsoort hoogveen te vinden.
We noemen het hoogveen omdat het hoger ligt
dan het water in de grond. In hoogveengebie-
den vind je veel heide en schaapskudden. Het
zijn natuurgebieden met veel plassen, dieren en
stilte. Het hoogveen is voor een groot deel afge-
graven, maar op een paar plekken kunnen we
het nog zien. Hoogveen is heel lang geleden ge-
vormd, door afzetting van dode plantenresten in
het moeras. Die resten vormen op den duur een
nieuwe laag grond, waarop weer planten kunnen
groeien. De laag plantenresten werd steeds ho-
ger en hoger. En op een gegeven moment kwam
de laag boven het waterpeil uit en was er weer
een nieuwe bodem ontstaan. Ook hier gingen
weer planten en bomen op groeien. En dat zijn
nu de hoogveengebieden.




