Kristallen
Een kristal is een bijzondere toestand van een stof,
die gekenmerkt wordt door een speciale structuur.
Een kristal bestaat uit regelmatige veelvlakken. Een
sneeuwkristal heeft altijd zes hoeken of armpjes. Een
zoutkristal is altijd vierhoekig.
Kristallen vind je overal. Enkele voorbeelden:
• kristalsuiker.
• sneeuwkristallen op ruiten en vensterbanken als
het heeft gesneeuwd.
• bergkristallen zijn mooie stenen.
• diamantkristallen: van diamantkristallen worden
kostbare sieraden gemaakt, maar ze worden ook
gebruikt voor boren en zagen.
• in elke computer zitten kristallen die zorgen dat
een computer snel werkt.
• in horloges zorgt een kristal voor de juiste tijd.
Kristallen kunnen oplossen in water, maar tot een
bepaalde grens. Boven die grens lost het kristal niet
meer op en noemen we de oplossing verzadigd. Er
ontstaat dan neerslag. Hoe hoger de temperatuur,
hoe meer er oplost.
Kristallen kunnen daardoor tevoorschijn komen wan-
neer een vloeistof heel langzaam verdampt. Maar
dan moet er wel een stof in die vloeistof zijn opge-
lost. Als je zo’n vloeistof laat verdampen blijven er
kristallen over. Zo maken ze ook zoutkristallen in de
fabriek.
Kennisaspecten
De leerling is op de hoogte van de eigenschappen van kristallen.
6
Van A tot Z • Groep 5/6 • Kaart 8 • Kristallen
Effe checken
Ik weet hoe een kristal eruit ziet.
Ik kan voorbeelden geven van kristallen.
Ik weet hoe we van zout water zoutkristallen kunnen maken.




