Background Image
Table of Contents Table of Contents
Previous Page  62 / 210 Next Page
Information
Show Menu
Previous Page 62 / 210 Next Page
Page Background

Groep 5-6 • Thema 2 • Samenvatting • pagina 4

Kaart 13

Spinnen

Een spin is géén insect. Spinnen hebben acht poten,

insecten maar zes. Het lichaam van een spin bestaat

uit twee delen, dat van een insect uit drie.

De spin is het enige dier dat een web kan maken. Met

dat web vangt een spin zijn voedsel: insecten. Een web

heeft vaak de vorm van een wiel. Het web is gemaakt

van kleverige draden van spinstof. Die stof komt uit het

achterlijf van de spin.

De insecten die in het web vliegen, blijven vastzitten

aan de kleefdraden. Zit er eenmaal een insect in het

web, dan rent de spin er naar toe. De spin spuit er

meteen een flink aantal draden overheen. Tegelijkertijd

draait hij het insect rond. Het insect zit nu gevangen in

het web van de spin. Maar het diertje gaat niet dood. De

spin eet zijn prooi pas op, als hij honger heeft. Dan spuit

hij er gif in en zuigt hij het insect leeg.

Kaart 12

Ademhalen

Mensen hebben twee longen die naast elkaar liggen in

de borstkas. Longen zijn heel erg belangrijk. Je haalt

er zuurstof mee uit de lucht die je inademt. Je lichaam

heeft zuurstof nodig om te kunnen werken. Je ademt

lucht in door je mond of neus. De lucht gaat door je

luchtpijp naar de longen. De luchtpijp splitst zich in twee

dunnere pijpen, de bronchiën, één voor elke long. De

bronchiën vertakken zich in enorm veel kleine buisjes,

zo dun als haren. Aan het eind van elk buisje zit een

balletje: een longblaasje.

Langs elk longblaasje lopen piepkleine bloedvaatjes.

De longblaasjes geven zuurstof uit de lucht mee aan

het langsstromende bloed. En het bloed brengt de

zuurstof naar de lichaamsdelen die het nodig hebben.

Kaart 12

Astma

Astma is een ontsteking van de luchtwegen. Het kan

nog niet genezen worden. Mensen met astma kunnen

soms moeilijk ademhalen: zij worden kortademig, ade-

men ‘piepend’ of moeten hoesten. Dit komt doordat hun

luchtwegen snel geprikkeld raken door allerlei stoffen

of door inspanning. Daardoor worden hun luchtwegen

nauwer en kan er moeilijker lucht doorheen. Ze gaan

hoesten om de irriterende stoffen naar buiten te krijgen.

Kaart 11

Kleingeld

Duizenden jaren geleden was er geen geld. Wanneer

mensen graag iets wilden hebben dat een ander had,

werd er geruild. Steeds meer gingen mensen zich bezig

houden met een vak waar ze goed in waren. Dat noe-

men we specialiseren. Het werd nu moeilijker om alles

te ruilen wat je nodig had. Daarom gingen de mensen

op zoek naar algemene ruilmiddelen. Zo waren er vol-

ken die betaalden met koeien of met schelpen. Maar

die ruilmiddelen gingen niet altijd lang mee. En je kon

ze ook voor andere dingen gebruiken dan om mee te

betalen. Dus ging men op zoek naar een betaalmid-

del dat wel lang mee kon gaan: geld. Geld moest duur-

zaam en zeldzaam zijn. Duurzaam betekent dat het

lang meegaat. Dingen die zeldzaam zijn (waar er dus

maar weinig van zijn) zijn kostbaar, dus daarom willen

mensen ze bezitten. Het eerste geld werd gemaakt van

zeldzame en sterke edelmetalen zoals goud en zilver.

Nu worden munten gemaakt van goedkopere metalen,

zoals brons of nikkel.