Lente
Op 21 maart begint de lente. De lente wordt ook het
voorjaar genoemd. Het is een periode ‘voor’ in het
jaar. De lente duurt drie maanden. Als de lente be-
gint, lijkt het wel alsof alles na een winterslaap weer
tot leven komt. Toch kan het nog knap koud zijn. In
de lente stijgt de temperatuur. De lucht wordt war-
mer en de zon verwarmt de grond. Aan het eind van
de lente kan het al heerlijk warm zijn.
In de lente regent het ook vaak. Dat helpt planten
bij het groeien. Aan de loofbomen worden de knop-
pen groter en er komen bladeren. Aan naaldbomen
die groen zijn gebleven, komen nieuwe, lichtgroene
scheuten. Bolplanten komen boven de grond en
beginnen te bloeien. Veel dieren gaan een nest
bouwen. Overal zie je jonge dieren. Dieren die in
de winter een winterslaap hielden of naar warmere
landen trokken verschijnen weer.
Zomer
De zomer begint op 21 juni. De zomer is de naam
van het warme jaargetijde dat na de lente komt.
’ s Zomers staat de zon hoog aan de lucht. De da-
gen zijn daardoor lang en het is warm. Dankzij de
hoge temperatuur staan buiten de bloemen volop in
bloei en groeien er overal vruchten. Overal vind je
insecten, die in dit jaargetijde volop voedsel kun-
nen vinden en zich goed kunnen voortplanten. In
Nederland regent het echter wel regelmatig in de
zomer en kan het ook vaak onweren.
Herfst
De herfst begint op 21 september. Herfst is de
naam van het jaargetijde dat na de zomer komt.
Het is vaak guur weer en de dagen worden korter.
De natuur bereid zich in dit jaargetijde voor op de
winter. In de herfst verkleuren de blaadjes en vallen
af. Er vallen zaadjes op de grond. Die zorgen voor
veel nieuwe planten in het voorjaar.
Dieren die een winterslaap houden, bouwen in de
herfst een voedselvoorraad op. Aan het eind van de
herfst trekken de dieren weg die in de winter moei-
lijk kunnen overleven. In de herfst regent het veel.
Er groeien overal paddenstoelen. Paddenstoelen
leven namelijk in een vochtige, donkere omgeving.
En dat is het in de herfst op veel plaatsen.
Kennisaspecten
De leerling kent de kenmerken van de vier jaargetijden.
6
Van A tot Z • Groep 5/6 • Kaart 2 • De J is van ’t jaar rond




