De fiets
De fiets is pas 200 jaar geleden uitgevonden. De eerste
fiets was een loopfiets: een plank met twee wielen, waar-
bij je je benen gebruikte om je voort te bewegen. In 1861
bedacht een Fransman om pedalen aan de fiets te maken.
De trappers zaten aan een heel groot voorwiel vast. Hier
zat ook het zadel op. Het achterwiel was heel erg klein.
Deze fiets wordt de hoge bi genoemd. Je kon er bijna niet
opstappen en je viel gemakkelijk. Maar de hoge bi ging
wel heel snel! Pas in 1880 werd de fiets uitgevonden zoals
we die nu kennen: met een ketting en twee even grote
wielen. Eerst wogen deze fietsen nog wel 35 kilo, maar in
de loop der tijd zijn ze steeds lichter geworden.
Paard en wagen
Een jaar of zeventig geleden waren er nog niet veel au-
to’s. Het vervoeren van spullen werd vooral gedaan met
paarden en wagens. Zo werd er melk langs de deuren ge-
bracht. En zo verhuisden mensen van de ene plaats naar
de andere. Alles werd op karren geladen. Om mensen of
post te vervoeren werden ook wel koetsen gebruikt.
Die koetsen en karren werden getrokken door paarden.
Die hadden het zwaar. Maar ze werden goed verzorgd,
want ze waren erg belangrijk. Toen er meer auto’s kwa-
men, namen vrachtwagens de taak van de paarden en
wagens over. Het vervoer ging met vrachtwagens sneller
en gemakkelijker.
De auto
In de 19e eeuw werd de stoommachine uitgevonden. Van de stoom-
machine naar de benzinemotor was niet meer zo’n hele grote stap.
In 1880 waren twee ingenieurs, zonder dat ze het van elkaar wisten,
bezig om zo’n motor te maken: Karl Benz en Gottlieb Daimler. Karl
Benz slaagde er voor het eerst in om een driewieler met motor te
maken. Zo ontstond in 1885 de eerste auto.
In het begin werd er vooral gelachen om auto’s of was men er bang
voor. In dorpen en steden mochten auto’s niet hard rijden. Drie kilo-
meter per uur was de maximumsnelheid. Vaak liep er dan iemand
voor de auto uit met een rode vlag. Hij moest zorgen dat de auto
niet te hard reed. Alleen hele rijke mensen hadden destijds een auto.
Lampen, een toeter, een voorruit of ruitenwissers zaten er niet stan-
daard op.
De technische ontwikkeling van auto’s verliep razendsnel. In 1903
konden auto’s al 110 kilometer per uur rijden. Maar toen Henri Ford
in 1908 een fabriek opende waar aan de lopende band auto’s ge-
maakt werden, ging het helemaal snel. Je hoefde nu niet meer echt
ontzettend rijk te zijn om een auto te kunnen kopen. De T-Ford werd
de eerste betaalbare auto voor gewone mensen. De auto’s werden
ook steeds veiliger. Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal
auto’s heel snel toe. Daarom werden er steeds meer wegen aange-
legd. Toch zijn de wegen hoe langer hoe voller geworden. Er komen
steeds meer files. Al dat verkeer is bovendien erg slecht voor ons
milieu.
1
Reizen • Groep 5/6 • Kaart 10 • Hoe zal ik vandaag naar school gaan?
Kennisaspecten
De leerling kent de ontwikkeling van diverse vervoersmiddelen.




